- 1998/03/28 Kalimantan wacht op regen

De branden op Oost-Kalimantan (Borneo) zijn onblusbaar. Hongersnood dreigt voor misschien wel een miljoen mensen als er niet snel regen valt. En dat kan nog wel tot oktober duren. Minder en meer deskundigen kibbelen over het beheer van het aan natuurschatten zo immens rijke eiland. De Dayaks in het binnenland kunnen slechts toekijken hoe de ramp zich voltrekt.

De Dayak stuurt zijn kano over de rivier door het regenwoud van Borneo. Hij zoekt naar grond waar hij rijst kan aanplanten. Op een plek die geschikt lijkt, gaat hij aan land voor wat wij een 'haalbaarheidsstudie' zouden noemen.

Zijn mes steekt hij diep in de bodem, tussen zijn vingers 'proeft' hij het grondmonster dat zo wordt genomen. Als de uitslag bevalt, slaat de Dayak aan het rekenen: wat kost het me om de grond hier geschikt te maken, hoeveel bomen moet ik kappen? En welke opbrengst staat daar tegenover, hoeveel rijst kan ik oogsten? Dr. Willie Smits verhaalt van voorbije tijden. "Zij wisten wat ze deden, die oude Dayaks. Ze waren duurzaam bezig. Van elk stukje bouwland was er een kalender voor de beplanting, in een cyclus van tien jaar. Als ze een jaar of tachtig op een plek hadden gezeten, verplaatsten zij hun dorp naar nieuwe gronden, zodat de oude konden herstellen."

Vroeger waren er op Kalimantan ook periodes van grote droogte en hongersnood, net als nu, zo valt te lezen in verslagen van koninklijke hoven. Maar grote branden kwamen nauwelijks voor, vertelt de Nederlandse bosbouwkundige. En toch was de manier om de grond voor landbouw geschikt te maken dezelfde: kappen en in de fik steken. Dat schept ruimte, en de as dient als kunstmest. Destijds werden de vuurhaarden echter gesmoord in het omringende regenwoud. En dat is in een ongelooflijk tempo op grote schaal verdwenen.

Breed lachend gaat minister Djamaludin Suryohadikusumo van bosbouw het uitgelezen gezelschap voor bij de opening van het project voor 'eco-toerisme' in Bantu Ampar, een kilometer of veertig van oliestad Balikpapan. Hij beklimt de 35 meter hoge toren die rond een woudreus is gebouwd. Dan steekt hij via een zwabberend hangbrugje over naar de kruin van een volgende boom, en nog een, tot de 'afdaaltoren' is bereikt. Er klinkt beleefd applaus als de bewindsman weer is teruggekeerd op aarde.

'Groene' toeristen mogen hier komen bekijken wat er nog over is van het regenwoud op Kalimantan. De vraag is hoe lang dat nog kan, want overal in de regio brandt het. Zo staan de beschermde bosgebieden boven Balikpapan in vuur en vlam. Van de tienduizend hectare bos, waar opgevangen orang-oetangs weer terugkeren in de natuur, is al de helft verdwenen. Het nationale park Kutai brandt. En ook 'Bukit Soeharto' staat in de fik. In dit naar de president vernoemde project doen houtkapbedrijven iets terug voor de enorme schade die ze elders aanrichten, door wat schamele acacia's aan te planten. Het verkeer over de hoofdweg naar Samarinda moet keer op keer stoppen voor de vuurbestrijders die proberen nog wat te redden, maar het is onbegonnen werk.

In een van de heen en weer zwaaiende boomtoppen van het eco-project in Bantu Ampar schudt een buitenlandse bosbouwkundige meewarig het hoofd. "Dit is het enige stukje oorspronkelijk bos dat mijlenver in de omtrek nog te vinden is", foetert hij. "Het is een schande. Als je echt wilt weten hoe het regenwoud eraan toe is, moet je honderden kilometers van hier gaan. De IndonesiŽrs praten wel over hoe het moet met het bos, er zijn goede bedoelingen en het lijkt zelfs of ze iets doen. Maar er komt niets van terecht."

Gesproken is er weer veel vandaag. Urenlang heeft het gezelschap van zo'n 150 man geluisterd onder het zwarte baldakijn dat bescherming biedt tegen de zon. Naar de directeur van het bosbedrijf, naar de minister en naar de islamitische geestelijke, compleet met tulband en kleurig gewaad. Er waren hapjes, uitgedeeld door twee mooie meiden in traditioneel kostuum. En de minister had ook iets meegebracht uit Jakarta: voedselpakketten voor de bosarbeiders, een officiŽle erkenning van de voedselproblemen in Oost-Kalimantan.

Hemelsbreed tweehonderd kilometer verderop, in het gehucht Ombau Asa, piekert boer Narryh hoe hij de eindjes aan elkaar moet knopen. Dayaks zijn trotse mensen, ze geven niet gauw toe dat ze in de problemen zitten. Maar de nood is hoog in dit dorpje in het stroomgebied van de Mahakam-rivier.

De anders zo machtige waterloop ligt er timide bij. De Mahakam is ongeveer zo lang als de Rijn, maar op het hoogtepunt van de regentijd - in het najaar - gaat er tot honderdmaal zoveel water door de Indonesische stroom. Dat wil zeggen: onder normale omstandigheden. Nu, met de al maanden aanhoudende droogte, is de stroomrichting zelfs deels omgekeerd. Tot op honderd kilometer van Samarinda, aan de kust, is het zeewater binnengedrongen. Het brakke water is ongeschikt voor gebruik in de keuken en op de velden. Varen gaat nog wel, maar de grote boten voor openbaar vervoer moeten stoppen in Melak, een vierhonderd kilometer stroomopwaarts, omdat de waterstand te laag is. Dat maakt het transport van voedsel, brandstof en alles wat nodig is om verder stroomopwaarts te leven, extra kostbaar.

De tocht vanaf de kust het binnenland in, deels per auto omdat dit sneller gaat, is bizar. Over tientallen kilometers is het landschap zwartgeblakerd. Er rest niets dan zwarte boomstronken in grijze as, waar hier en daar nog rook uitpluimt. Op sommige plekken steken kruinloze, verbrande boomstammen als naargeestige, verkoolde vingers omhoog.

Dit is het gebied waar in vroeger tijden de bosbouwindustrie allesverwoestend heeft huisgehouden, op zoek naar hardhout. Het kappen en branden heeft zich nu verplaatst naar elders, diep in Kalimantan, uit het zicht. Waar de grond niet is verbrand, tiert het alang alang-gras, de 'groene dood'. Niets wil er tussen groeien en de grond wordt er niet rijker van. Als de aarde is verschroeid, steekt het ook als eerste weer de kop op. En het is overal nu zo verdord dat een vonkje genoeg is om de velden opnieuw in vuur en vlam te zetten.

Over de rivier neemt de smog in de lucht snel toe. Op sommige plaatsen moet de taxiboot zelfs vaart minderen, omdat de oevers uit het zicht raken. Af en toe zijn de vuren die langs de kanten woeden, zichtbaar en voelbaar. De bewoners van de paalwoningen aan het water wanen zich niet veilig. En zelfs de mensen die op de rivier wonen, maken zich zorgen over vonkenregens die van elders neer kunnen dalen.

In de doorgaans vruchtbare streek boven Melak, rond dorpjes als Bigung Baru en Ombau Asa, moeten de boeren verkopen wat ze hebben om aan voedsel te komen. De meesten hebben nu precies een jaar geleden voor het laatst geoogst. Dat betekent dat iedereen door zijn voorraden heen is. Sparen voor later is een onbekend begrip voor deze mensen. Dus moet er rijst worden gekocht op de markt, maar door de economische crisis is de prijs daar wel tweeŽneenhalf keer zo hoog geworden. Lokale organisaties schatten dat wel een miljoen mensen in Oost-Kalimantan met hongersnood wordt bedreigd als regen van betekenis uitblijft. En dat lijkt het geval. Verwacht wordt dat pas in oktober echt veel water uit de hemel komt, als de gewone regentijd aanbreekt.

In de grote stad Balikpapan delen de kerken op zondag nu al aan Dayaks voedsel uit, dat is meegebracht door de parochianen. Nog niemand gaat er dood van de honger in Muara Asa, een uurtje rijden van Melak. Maar de weerstand van de bevolking neemt af. De voedselsituatie is in Muara Asa dagelijks onderwerp van gesprek, vertelt Isna Susanti (23). Ze werkt hier als vroedvrouw en verleent tegelijk medische zorg. Sinds juli is het normale aantal van negen baby's geboren in het gehucht van driehonderd inwoners, allemaal gezond. Maar het aantal mensen dat aanklopt met medische problemen is verdrievoudigd, van gemiddeld vier tot tien ŗ vijftien per week.

De meesten die hulp vragen, hebben last van ademhalingsmoeilijkheden door de soms verstikkende rook, die nu al maandenlang boven de dorpen hangt en de zon verduistert. Maar behalve kijken wat eraan scheelt, kan Isna voor de patiŽnten weinig doen. Consultatie is in IndonesiŽ gratis, medicijnen zijn dat niet. Nu de prijzen voor geneesmiddelen met zo'n driehonderd procent zijn gestegen, moeten velen hun toevlucht nemen tot traditionele genezers, gedwongen door het krappe huishoudbudget.

Mensen van de Kelian-goudmijn in de buurt werken aan voedselhulp. Van overheidswege is er nog niemand toegesneld om de helpende hand te bieden. Vorig jaar deelde de bupati, de gouverneur van de regio, wel zo'n 100 miljoen roepia uit namens regeringspartij Golkar, destijds nog bijna tienduizend gulden.

Maar toen waren er ook verkiezingen. En dat is belangrijk. In Jakarta gelden andere prioriteiten. Zo was er begin deze maand het circus van de Volksraad (MPR) en de 'herverkiezing' van Soeharto. Daar kon niet openlijk gesproken worden over hongersnood in diverse delen van het land: Flores, Irian Jaya, Zuid-Sumatra, en - zeg het niet, want politiek o zo gevoelig - op Oost-Timor. Dat zou immers het unanieme oordeel van de duizend MPR-leden ondergraven, dat de president het de afgelopen vijf jaar weer goed heeft gedaan.

Nu ligt de zaak anders. In de onderhandelingen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) over het verstrekken van miljarden aan financiŽle bijstand komt de nijpende voedselsituatie zelfs van pas. Dat zet het IMF onder druk toch vooral te voorkomen dat het land afglijdt in chaos, en de regio meesleept, en misschien wel de hele wereld, een rampscenario dat sommige regeringsbronnen in de Indonesische hoofdstad niet nalaten te benadrukken.

Terwijl het toch niet voor de hand ligt dat een opstand begint in buitengewesten als Kalimantan. Wie zal hier een mars op Jakarta organiseren? Voor het regime is het belangrijker de situatie op Java in de hand te houden, waar 120 van de 206 miljoen IndonesiŽrs wonen. En het is dan ook niet zonder reden dat Siti Hardijanti Rukmana, beter bekend als Tutut, dochter van president Soeharto en tegenwoordig minister van sociale zaken, voedselbonnen uitdeelt onder de armen in en om Jakarta, dat 10 miljoen inwoners telt.

In het onderzoeksstation in Wanariset, halverwege de weg tussen Balikpapan en Samarinda, ligt een orang-oetang van een paar maanden oud met een luier om in een soort van plastic kattenbak. Aan het 'hoofdeinde' zijn wat ballonnen opgehangen om de patiŽnt op te vrolijken, maar hij blijft lusteloos om zich heen kijken.

Zo'n 130 van deze mensapen zijn hier opgevangen, vertelt Willie Smits, voornamelijk jonge dieren die hun moeder zijn kwijtgeraakt. Daarmee zit het centrum bomvol. De orang-oetangs hebben zwaar te lijden door de branden en de droogte. Voortgedreven door het vuur, honger en dorst komen ze uit de bossen op zoek naar water en voedsel. Dat brengt hen naar de woongebieden van mensen. En die staan hen niet bepaald vriendelijk op te wachten, want zij hebben zelf niets te eten.

De apenopvang is een van de vele activiteiten van Smits. Achttien jaar jaar al zit de Nederlander in IndonesiŽ. Hij kwam als student (Wageningen) maar werd gevraagd onderzoek te komen doen, nadat hij had ontdekt hoe de om hun hardhout zo gewilde meranti-bomen te kweken. Normaal willen die buiten het regenwoud niet groeien. In het onderzoeksstation in Wanariset, dat deels wordt gefinancierd door de Nederlandse stichting Tropenbos, vertelt hij gedreven over de potenties. Hij ziet meranti-plantages, kansen voor de suikerpalm en de productie van tal van inheemse planten, bijvoorbeeld de medicinale kruiden die de Dayaks kennen.

Anderen zijn minder optimistisch. Bijvoorbeeld zijn Duitse collega Johannes Huljus, die eveneens in Oost-Kalimantan werkt op een door Bonn gefinancierd project. Die gelooft niet in de meranti-aanplant op grote schaal. "Veel te moeilijk om de juiste omstandigheden daarvoor te creŽren."

Smits loopt rond in het uniform van het ministerie van bosbouw in Jakarta, is ook adviseur van de minister. Hij wil niet gezegd hebben dat de Indonesische regering niets doet om de afkalving van het regenwoud te stoppen. "Dit land zit met Ghana als enige van 87 staten op schema naar duurzaam beheer. Dat blijkt uit een rapport van ITTO, de internationale club van houthandelaren." Maar ook hij kan geen datum noemen wanneer er een eind komt aan het verdwijnen van de tropische oerbossen in IndonesiŽ. En voor zover maatregelen zijn afgekondigd, blijft het toezicht op naleving een probleem door de wijdverbreide corruptie, weet Smits als geen ander.

Een regeringsbeleid met duidelijke doelen, dat kan ook niet in een land waar de president zomaar, zonder een gedegen studie naar de gevolgen, besluit een miljoen hectare moerasland om te laten werken tot rijstplantages. Het project in Centraal-Kalimantan, dat in '96 is begonnen, vernietigt niet alleen een van de beste habitats voor orang-oetangs, maar is volgens milieugroepen bovendien tot mislukken gedoemd.

Het in brand steken van de vegetatie in de moerassen vormde een van de hoofdoorzaken van de verstikkende smog die vorig jaar wekenlang boven de regio hing. Tot in MaleisiŽ en Singapore liep de bevolking met tranen in de ogen, en werd het vliegverkeer gehinderd. Maar zelfs nu mag de reden nog niet officieel worden bekendgemaakt. Dat vergroot het vertrouwen in regeringsfunctionarissen niet en evenmin in wie daarmee samenwerken. Dat het onderzoeksbos van Smits bij Wanariset - "vijftien jaar werk" - deze week is afgebrand, daar liggen lokale milieugroepen niet wakker van. Zij moeten niets hebben van de activiteiten van de Nederlander. Zijn werk wordt gezien als een schaamlap, waarachter de aantasting van het regenwoud ongegeneerd voortgaat.

"Wanariset is een internationaal uithangbord, om de idee te wekken dat aan duurzaam beheer wordt gewerkt", vindt de vertegenwoordiger van Walhi, de Indonesische Greenpeace, in Balikpapan. "Die opvang van orang-oetangs, waarom is die nodig? Omdat er miljoenen hectaren bos zijn omgekapt voor de aanleg van oliepalmplantages." Natuurbeheer in IndonesiŽ is een lachertje, vindt hij. "De bosbedrijven moesten bomen aanplanten op Bukit Soeharto als vergoeding voor het wegkappen van regenwoud. Honderd hectare acacia's in ruil voor concessies die duizendmaal zoveel, honderdduizend hectare en meer, omvatten."

Voor nuance is weinig ruimte bij de milieu-activisten. Deugt er dan helemaal niemand? Minister Djamaludin is toch een goeie vent? Die heeft tientallen kapvergunningen ingetrokken omdat bedrijven zich niet aan de regels hielden. Zelfs de halfbroer van Soeharto, Probosutedjo, spaarde hij niet.

"Hij wŠs een goede vent, Djamaludin", beklemtoont de Walhi-man, "maar hij is eruit geschopt. In het nieuwe kabinet komt hij niet meer voor. En wie zit daar wel in? Meneer Bob Hasan, de grootste houthandelaar in heel IndonesiŽ en persoonlijke vriend van de president. Zijn monopolie in de multiplex-industrie dient van het IMF te verdwijnen en hij is nu minister van handel en industrie. Mafia is het."

De Dayak-boer Narryh in Ombau Asa heeft geen verstand van politiek. Op de vraag of hij weet wie er president is in dit land, kijkt hij verlegen naar de vloer van zijn prachtige hardhouten huis. Hij gelooft niet dat het veel uitmaakt. De man verwacht geen hulp van buitenaf. "Je moet jezelf kunnen redden", zegt hij eenvoudig.
-

Recente nieuwsberichten:

•  2016/01/14 Zoekoperatie naar MH370 stuit op scheepswrak 19e eeuw
•  2016/01/13 Voor het eerst overleg religieuze leiders in MaleisiŽ
•  2016/01/13 Discussie over borstvoeding bereikt ook MaleisiŽ
•  2016/01/08 Verwanten vermiste MH370 passagiers: Ze leven nog!
•  2016/01/06 Malaysia Airlines vliegt zonder bagage wegens tegenwind
•  2016/01/05 Koenders wil snel besluit over vervolging MH17-verdachten
•  2016/01/04 Zo'n twintig Russen weten wie BUK-raket op MH17 afschoot
•  2016/01/01 MaleisiŽ: IsraŽlische zeilers bestaan niet op WK jeugd
•  2015/12/25 Circuit van Sepang dicht voor groot onderhoud
•  2015/12/24 Sultan van Brunei verbiedt Kerstmis
•  2015/12/24 MaleisiŽ: ex-baas zedenpolitie de cel in om verkrachting

•  Eerder gepubliceerde berichten uit 1998
•  Links naar het nieuwsarchief